Hoe zet ik mijn eigen makerschap in binnen het onderwijs, waarbij nieuwe maakpraktijken en inclusiviteit centraal staan?
Vorig jaar rond deze tijd mocht ik voor de opleiding DBKV (WdKA) onderzoeken hoe ik mijn eigen makerschap kan inzetten binnen het onderwijs. Het uitgangspunt was de rol van de maker-pedagoog: een kunstenaar die vanuit het eigen makerschap nieuwe vormen van leren en maken ontwikkelt. Daarbij stonden o.a. nieuwe maakpraktijken en inclusiviteit centraal.
Samen met 2 studiegenoten ontwikkelde ik een workshop voor leerlingen met een HB-profiel (hoogbegaafdheid). Voor deze workshop besloten we onze artistieke krachten te bundelen en een workshop aan te bieden waarbij leerlingen konden kiezen uit 3 leerpaden: Creative Coding, AI/Persona en Performance, waarin de leerlingen nieuwe werelden gingen creëren. Elke docent was verantwoordelijk voor 1 van de leerpaden en begeleidde een groepje leerlingen gedurende de workshop. Ook zou een speciaal door ons ingerichte Padlet (digitaal prikbord) als hulpmiddel dienen. We hadden de Padlet zodanig ingericht dat leerlingen ook na de workshop met de Padlet – op zelfstandige wijze – verder kon werken als ze dat wilden.
Het uitgangspunt van de workshop was om niet iedereen hetzelfde programma, tempo en dezelfde manier van werken op te leggen. Maar om de leerlingen ruimte te bieden om vanuit hun eigen interesses en voorkeuren een route te kiezen.
De Grote Testdag
Na ca 2 maanden aan het project te hebben gesleuteld, werd het tijd de workshop ook in het echt uit te testen. We mochten de workshop testen op een middelbare school in Zoetermee met een HB-profiel.
Ik begeleidde het pad Creative Coding en kreeg 3 leerlingen onder mijn hoede.
Bewust gaf ik de leerlingen geen introductie in programmeren. Daar was helemaal tijd of ruimte voor, legde ik uit. In plaats daarvan leerde ik hen een trucje waarmee ze desondanks snel aan de slag konden met coderen. Ook moedigde ik hen aan om vooral te experimenteren en dingen uit te proberen. “Kijk maar wat er gebeurt als je getal x of getal y verandert.” Ook hierin gaf ik ze trucjes om dit in het klein uit te voeren, om het gestructureerd en overzichtelijk te houden en de kans te verkleinen dat ze zouden verdrinken in een brei van onbegrijpelijke codes.
Het viel me al snel op, dat mijn 3 leerlingen ieder een totaal andere aanpak ontwikkelden.
De een die de codes echt poogde te begrijpen (door de error meldingen op zijn scherm systematisch te onderzoeken). Een andere leerling die zichtbaar genoot van de onverwachte effecten op haar scherm en regelmatig ervan in een deuk lag, om haar eigen resultaten. (Ze kwam soms haast niet meer bij).
En een derde leerling die zo breed erop los experimenteerde dat hij uiteindelijk ook functies in de code veranderde en daarmee resultaten creëerde die zelfs voor mij nieuw waren.
Ondanks de beperkte tijd (35 minuten voor het maken van een werk), maakte iedereen een eigen beeld.
Na afloop presenteerden de groepjes de uitkomsten/werken aan elkaar. Tussen de presentaties en de workshops hielden we een korte pauze.
Wat me toen direct opviel, was dat mijn leerlingen perse wilden doorgaan met coderen. En ze waren niet alleen bezig met hun eigen werk, waarbij ze vastgeplakt leken aan hun eigen scherm. Ze bekeken ook vol enthousiasme elkaars werk en wisselden ideeën uit 😀
Het leren coderen in 35 min. was niet het doel van deze workshop, maar dat leerlingen zelfstandig gingen onderzoeken, experimenteren en maken.
Deze workshop deed me weer inzien hoe waardevol het kan zijn om leerlingen niet alleen een opdracht mee te geven, maar ook keuzeruimte (autonomie) te bieden. Ruimte om een eigen route te kiezen, op een eigen manier te werken die bij de leerling past en vanuit nieuwsgierigheid te ontdekken wat er mogelijk is.
Soms begint differentiatie met de simpele vraag:
“Welke route wil jij nemen?”


In samenwerking met Laurie Schram en Lisanne Kremer.



Leave a Reply